Generatio spontanea


Vroegere wetenschappers kwamen tot de conclusie dat leven spontaan uit levenloze materie kon ontstaan. Dit heet generatio spontanea. Zo zouden vliegen ontstaan uit afval, rottend vlees en hout. Maar ook schelpdieren, amfibieën, reptielen en zoogdieren konden vanzelf ontstaan mits de juiste combinatie van stoffen en omstandigheden aanwezig waren, dacht men.
De generatio spontanea had veel volgelingen, waaronder Aristoteles.

In de zeventiende eeuw werd men kritischer ten aanzien van de generatio spontanea-theorie. Zo toonde de Italiaanse onderzoeker Redi (1626 - 1694) aan dat vliegen groeien uit eitjes, die in het vlees gelegd zijn door andere vliegen.
Bij nader inzien bleken ook wormen, luizen, kikkers, vissen, muizen en nog vele andere diersoorten voort te komen uit eieren of volwassen dieren.

Toch kwam het idee van generatio spontanea weer om de hoek kijken toen Antonie van Leeuwenhoek (1632 - 1723) met zijn net uitgevonden microscoop heel kleine wezentjes ontdekte. Hij kon niet verklaren hoe deze “kleine diertgens” in het water waren ontstaan. In de 19e eeuw toonde De Fransman Pasteur (1822 - 1895) echter overtuigend aan dat generatio spontanea ook bij microscopische organismen niet voorkomt.